deel1 Fokken: feiten, fictie, fabels en folklore. .

Deel 1.

Dit is geen reclame voor een boek, maar een verslag over een wat langere periode, waarin de totstandkoming van het boek “Genetics of Racing”  van Dave Shewmaker, bij mij heeft geleid tot andere inzichten en het anders op waarde schatten van de eigen duiven en het eigen handelen. Mede hierdoor, lukt het mij beter  onderscheid maken in  feiten, fictie, fabels en folklore. Zeker, ook vanwege de alliteratie is gekozen voor 5 woorden beginnend met F. Zo kunnen we het er hier "effe over hebben."

Maar als je het wat harder en duidelijker stelt gaat het over onderscheid maken tussen zin en onzin bij het fokken van wedstrijdduiven. Als je het mij vraagt zinvol omdat er naar mijn mening nogal wat fabels fictie en folklore  in de duivensport voorkomen  die vaak aanleiding geven tot het ontstaan van schijnwaarheden waar velen zich krampachtig aan vasthouden, terwijl ze zichzelf en hun duiven daarmee te kort doen.

Toch vind ik dat die FFen  bij de duivensport horen en ik zal ze nooit  als waardeloos  of overbodig, terzijde  schuiven. Het hoort er nu eenmaal bij en het kan heel leuk zijn die folklore.                                       

Maar je hoeft je er toch niet helemaal door te laten leiden?

Het meeste wat met het fokken van goede postduiven te maken heeft handelt over onzichtbare zaken. Alle waarneembare zaken aan het fysiek van de duif worden door veel beoefenaars van de duivensport op waarde geschat en dat is mooi. Maar juist op dat gebied speelt zich ook veel van de folklore in de postduivensport af. Neem nou: tentoonstellingen, tafelkeuringen en zaalverkopen, maar ook de hokbezoeken. Daar wordt dan vaak duidelijk dat we allemaal onze voorkeuren en stokpaardjes hebben.  We vinden het leuk om met elkaar duiven te keuren en stiekem is het denk ik ook zo, dat we daardoor eerder het idee of het gevoel hebben dat we grip hebben of krijgen op deze lastige materie. En dat het te leren valt. Bijna altijd gaat het over goed gebouwde en gezonde dieren.  Zoals altijd als het om fokdieren gaat.

De eerste die daar wat aan begon te morrelen was Prof. Alfons  Anker, die  de minder vitale, sterk ingeteelde en gedegenereerde fokdieren verkoos boven de meer vitale. Dit omdat ze zuiverder waren en dus beter zouden vererven. Daar raakte Anker een gevoelige snaar bij de kenners en keurders, die het allemaal gingen onderzoeken. Ik weet nog wel dat Arie v.d. Hoek er wat over schreef. Naderhand heb ik er van hem en/of anderen, weinig meer  over gehoord. (Maar dat kan natuurlijk aan mij liggen).

Voor een deel komt dit denk ik  door het feit dat inteelt de laatste 20 jaar wat uit de mode is. Het is schering en inslag dat kampioenen samenwerken en elkaar sterker kruisen. Dat dit kruisen  natuurlijk veel beter gaat met hoog kwalitatief en ingeteeld materiaal, moeten we natuurlijk niet vergeten.

 

 

Uit het verleden kan ik me duiven van Pol Bostijn uit België herinneren. Duiven die super presteerden op de vluchten maar bij de beoordeling in de hand behoorlijk tegenvielen. Echt populair zijn die duiven nooit geworden en dat snap ik aan de ene kant wel, maar aan de andere kant ook helemaal niet. We zien allemaal graag een gezond en goed gebouwd dier, maar als het beestje niet hard vliegt of geen jongen geeft die goed presteren dan zijn we er toch gauw mee klaar?

Dat is toch Glashelder??         

Bijna iedere melker laat zich verleiden om duiven op het uiterlijk te keuren. Zo zijn we allemaal opgevoed en natuurlijk is het wel leuk om met een paar bevriende melkers duiven bij elkaar te “keuren”. Dat is ook een stukje van de folklore.                                              Gewoon blijven doen. Leuk!

Maar ondertussen moeten we toch beter weten en van onze verwachtingen geen waarheden maken!        

Natuurlijk bestaan er zaken als intuïtie en ervaring bij een fokker die een voorsprong geven op de gemiddelde melker. Passie en drive en er veel mee bezig zijn spelen dan ook een grote rol, maar het goed in beeld brengen  van  die ervaringen en de verkregen  data maken het nog veel sterker.                    Als ik dit schrijf is het Zaterdagochtend 5-2-2022.  De Olympische winterspelen zijn vanmorgen begonnen met de 3000 meter schaatsen voor dames.                 Irene Schouten wint na een magistrale race Olympisch goud. Door haar naam roept ze bij mij  herinneringen op aan Toontje Schouteren, die ooit ook furore maakte op de Marathon.  Deze  omstandigheden maken dat ik dit artikel begint bij de folklore, want schaatsen heeft ook veel folklore in zich. Eigenlijk had ik dit gepland had voor het laatst. Maar leuk toch, als de wetenschap en de feiten wat op de achtergrond raken en overdekt worden door de Glorie en de Gladiolen  van de fictie, fabels en folklore. Als we maar helder hebben waar het echt om draait. Over schaatsen later meer.

Afgelopen woensdag ontving ik, rechtstreeks van de drukker het boek “the Genetics of Racing” van Dave Shewmaker. Dat heb ik meer dan zeven jaar geleden bij Dave besteld. Een tijdje hebben we wat heen en weer gemaild vooral omdat ik vragen had over de populatiegenetica en ondertussen testte en schreef Dave verder aan zijn boek. Regelmatig ontving ik de hoofdstukken en uiteindelijk ook het E-book per mail.

Wat ik  o.a. leer in de “Genetics of Racing” is om een betere boekhouder en gegevensbeheerder te worden en het keuren van duiven aan de hand van  zichtbare uiterlijke kwaliteiten van kampioensduiven” aan de “kenners” over te laten.

Informatie over je duiven is van onschatbare waarde. En wie is er beter op de hoogte over deze zaken dan de speler en melker op eigen hok? Doordat je die info zo objectief mogelijk vastlegt en overzichtelijk bewaart, maak je de onzichtbare kwaliteiten zichtbaar.

Niet denken dat onthoud ik wel, want het gaat vervormen. Je maakt het mooier of wenselijker of je vergeet dingen, zonder dat je het in de gaten hebt!

wordt vervolgd.