deel2 Fokken: feiten, fictie, fabels en folklore


Arthur Bricoux: volgens P de Weerd misschien wel de beste fokker/speler uit de historie van de duivensport


Meestal als het over fokken en genetica gaat begin ik altijd met grote interesse en raak ik langzaam verstrikt in hoofd- en kleine letters en ingewikkelde termen als correlatie, dominant/recessief,  avatisme, heterosis en homozygoot en ga zo maar door. En ik kom er lastig mee verder. Mijn interesse verdwijnt al snel en ik raak de draad kwijt.  Hoewel ik zeker nog niet alles lees, heb ik dat bij het boek van Dave niet. De hoofdmoot  is  populatiegenetica en er staan een aantal coachende  logisch en strategische concepten in die je op weg helpen.

Het richt zich meer op de onzichtbare kwaliteiten en op het totaal van je hokbestand. Dat klinkt heel vaag, maar als je je even op de echt goede prestatieduiven uit je duivenbestand richt en op hun directe afstammelingen, dan heb je dus een aantal duiven, die de juiste eigenschappen min of meer bezitten en waar je mee verder kunt en moet.

Je weet dan dat je een verzameling genetisch kwaliteiten bezit waar je mee vooruit kunt. Ze garanderen niets maar je weet dat die kwaliteit in dat deel van het hokbestand zit en dat je dat door testen zichtbaar hebt gemaakt. Die testen dat zijn voornamelijk de wed- en trainingsvluchten. Het geheel van de  populatie is belangrijker dan de kwaliteiten van de individuele duif. Elk jaar kweek of fok je wel een paar knappe duiven. Hoe goed dat valt natuurlijk moeilijk te voorspellen. En het staat van te voren nooit vast uit welke koppels. Het gaat ook niet alleen om dat goede koppel, maar om de groep duiven waar je mee werkt.

Een belangrijke zinsnede uit het boek gaat over een uitspraak van Steve Jobs: “simpel kan ingewikkelder zijn dan complex. Je moet hard werken om je denken zuiver te houden en de eenvoud te kunnen blijven zien. Aan het eind kom je er achter dat eenvoud en genialiteit schokkend dicht bij elkaar liggen en dat maakt het de moeite waard, want dan heb je weer iets (uit)gevonden”.  

Een andere zin over de kern van de fokkerij die veel meer op de daadwerkelijke feiten ingaat:

“Genetische vooruitgang is het resultaat én de functie van strenge en nauwkeurige selectie; generatie na generatie, na generatie”

Denk daar maar eens een poosje over na!  Er zit iets in dat constante aanpassing op de omgeving dicteert. En daarom ook overleven waarborgt.

Bij het lezen van de passage over Jobs, moet Shewmaker onwillekeurig denken aan grote melkers als bijvoorbeeld de gebroeders Jansen of Louis van Loon. Geen mensen die praten, maar mensen die laten praten. Ondertussen informatie opnemend en heel goed proberend het “grote plaatje” in de gaten te houden. Vaak wordt dit verward met simpelheid, maar dat is het niet. Ze houden hun denken zuiver en ze willen de eenvoud blijven zien en ze laten zich daarvan niet afleiden.

In de duivensport bestaan zoveel bakerpraatjes  en verhalen en feiten, die nooit zijn bewezen, dat laten ze zonder het veel aandacht te geven, aan zich voorbij gaan. Maar als ze iets horen of zien wat ze kunnen gebruiken omdat het goed lijkt en blijkt , dan zullen niet nalaten dat te doen.

En die groene zin, dat is alles waar het om draait; dat is het grote plaatje. Meer hoef je niet te weten. Dat is hoe het werkt!

Om die genetische vooruitgang te ondersteunen moet je selecteren. Daarin moet je streng zijn en nauwkeurig en je moet het kunnen en willen volhouden. Dat volhouden gaat alleen maar als je duiven en duivensport echt heel leuk vind en je ertoe aangetrokken voelt.

Dat te weten heeft ertoe geleid dat ik me veel meer ontspannen in het duivenhok beweeg en veel beter observeer en hopelijk ook beter selecteer. Wat ik nog niet goed doe is het opslaan en archiveren van alle gegevens die ik vergaar. Dat zou nog veel beter moeten. Maar ik denk dat ik niet anders ben dan de meeste duivenmelkers. We moeten het natuurlijk ook leuk blijven vinden want het is maar een hobby.

Maar toch…… als we echt verder willen……….

En dan komen we op de strategische en coachende  consepten van Shewmaker.

Als je  echt verder wilt, moet je wel weten waar je naartoe wilt. Wat wil je bereiken? Dat moet helder zijn, want daar moet je je bij het fokken en bij de prestaties van je hok door laten leiden.   Dat moet je dus helder omschrijven en toetsen.  Verandering van fokdoel moet worden vermeden. Dat is dodelijk omdat je dan alles in de war schopt.

Een voorbeeld uit de praktijk: in mijn geval is dat bijvoorbeeld het vliegprogramma 2022 voor de nationale Marathon, waar ineens voor 3 jaar een Ruffec ochtendlossing in zit. Daar ben ik niet 16 jaar voor bezig geweest. Dat is iets heel anders dan mijn fokdoel dat gericht is op presteren op de middag-lossing.

Daar zal tegenin gebracht worden dat er al een ochtendlossing in het programma zit vanaf 2010. Daar kan ik dan weer tegenin brengen dat dit nationaal voor sector 4 altijd eerst overnachten is geweest voordat de eerste prijzen verdiend werden. Zo’n doel veranderen kan je dus zelf niet zomaar doen en als anderen dat proberen dan moet er krachtig op gereageerd worden!!   Dat is de reden waarom ik er op facebook over schreef. Je kunt niet ineens van een springpaard een draver maken; hetgeen niet wil zeggen dat een springpaard niet kan draven! Alleen ligt dat draven dan op een heel ander niveau!

Een voorbeeld van een fokdoel is: het fokken van duiven die goed presteren op de vluchten.

Hoe goed en welke vluchten?   Dat moet je  definiëren!

En als het- zoals in mijn geval- over Marathonduiven gaat: Wat vind jij een goede marathonduif? En wat is goed presteren op die vluchten voor jou?

Omschrijf dat eens nauwkeurig!

Goed presteren betekent voor mij dat ik bij de eerste 5 kampioenen nationaal in sector 4 sta. 

En een goede Marathonduif is voor mij een duif die op de Marathon nooit mist. Je doet hem mee en hij vliegt zijn of haar prijs. Een echte goede vliegt zeker 50% van de behaalde prijzen binnen de 900 punten in groot verband. En dan bedoel ik Nationaal of NPO. 

Zo dat is een nauwkeurige omschrijving en daar kun je op selecteren. Dat wil nog niet zeggen, dat als je niet zo gelukkig bent zo’n goede te bezitten je alles iedere keer weer op moet ruimen. Nee, maar je weet wel waar je naartoe moet werken en wat je streven moet zijn. En je weet ook wanneer je in je opzet geslaagd bent. Dat is ook belangrijk  want je wilt weten of je op de goede weg bent.

Prestaties van fokduiven moeten boven elke twijfel verheven zijn: een keer een eerste Nationaal is natuurlijk prachtig, maar niet goed genoeg. Een duif moet minimaal 3 keer een topprestatie neerzetten. Deze eis moet voorkomen dat we een hok opbouwen met een duif een keer enorm gemazzeld heeft en daarna nooit meer iets presteert.

Het doel wat de meesten onder ons noemen, namelijk het fokken van goede wedstrijdduiven is prachtig maar… hoe specificeer je dat en hoe weet je dat je op de goede weg bent.

Het fokken van goede kweekduiven is beter want:  als je dat voor elkaar krijgt zul je jaar, na jaar, na jaar aan de top blijven presteren.

Dit betekent dat je breder moet kunnen en willen kijken en open moet staan voor zaken, die toevallig boven komen drijven.

Een bijzonder mooi voorbeeld van zoiets vinden we in de bestseller van Rutger Bregman  “de meeste mensen deugen”

Daar zal ik deel 3 mee beginnen.